/

Back to home page

Europe D66

Nederland moet rechtstaat beschermen tegen VS inmenging

   Wed 10/12/2003

 

Dit artikel van Lousewies van der Laan verscheen eerder in het NRC Handelsblad

De Verenigde Staten doen op verschillende terreinen een poging om te infiltreren in het Nederlandse rechtssysteem. De regering en Tweede Kamer laten hen daarvoor teveel ruimte.

 

De Nederlandse regering maakt zich hard om te voorkomen dat de nieuwe Europese grondwet de Nederlandse rechtsbeginselen zal aantasten. Een loffelijk streven. Maar de echte bedreiging komt niet uit Europa, maar uit de VS. In ingewikkelde bilaterale en multilaterale deals tussen Nederland, de VS en de EU worden fundamentele principes van onze rechtsstaat uitgehold. Op dit moment vinden vier ontwikkelingen plaats die een ernstige bedreiging vormen voor de rechtsbescherming van Nederlanders. Zij zijn nauwelijks zichtbaar voor het grote publiek, maar daarom nog niet minder reëel.

Als het gaat om handhaving van regels en rechtsbescherming, dan zijn Amerika en Nederland twee verschillende werelden. Laat ik twee in het oog springende voorbeelden noemen. Amerika probeert het gebruik van drugs terug te dringen met een complete justitiële oorlog, die in Nederlandse ogen meer kwaad doet dan goed. In veel Amerikaanse staten is het recht van leven niet absoluut, maar kan worden verspeeld door een misdrijf te begaan. Het wordt zelfs als toppunt van rechtspraak gezien als de overheid misdadigers vermoord. In sommige staten zoals Texas gebeurt dat zelfs als de daders minderjarig of zwakzinnig zijn. In Europa zien wij het recht op leven als onvervreemdbaar mensenrecht.

Als Nederland op justitieel gebied gaat samenwerken met een land waarvan de rechtsbeginselen zelfs op zulke principiële punten van de onze verschilt, is het zaak de bescherming van onze eigen normen en waarden goed in de gaten te houden. Dat gebeurt nu echter niet of nauwelijks.

De eerste bedreiging wordt gevormd door een aantal verdragen die de Europese Unie mede namens Nederland met de VS sluit. Deze verdragen gaan over wederzijdse hulp in strafzaken en over uitlevering van Europeanen aan Amerika. De huidige uitleveringspraktijk in Nederland laat volgens D66 al teveel te wensen over. Als de regering en de Tweede Kamer dit jaar instemmen met het nieuwe EU-VS verdrag, dan dreigt de rechtsbescherming van Nederlanders nog verder onder druk te komen.

Nederland was het afgelopen jaar koploper als het gaat om het uitleveren van eigen onderdanen aan de VS. In vrijwel alle gevallen ging dit om drugsgerelateerde delicten, met name om de handel in XTC. Nou kennen zowel Nederland als de VS een verbod op de handel in harddrugs, dus op zichzelf is er veel te zeggen voor een intensieve samenwerking tussen Nederland en de VS; we streven immers hetzelfde doel na. Dat de strafmaat in de VS vele malen hoger ligt dan in Nederland is een eerste probleem. Een groter probleem is echter, dat wie op verdenking van drugshandel aan de VS wordt uitgeleverd onder extreme druk wordt gezet om af te zien van een proces. Wie toch kiest voor een proces loopt de kans voor vele decennia of zelfs levenslang achter de tralies verdwijnen. Wie een schikking treft, en dus bekent zonder tussenkomst van de rechter, komt er met een vele malen mildere straf vanaf. In de praktijk krijgt vrijwel geen enkele Nederlander die op verdenking van een drugsdelict aan de VS wordt uitgeleverd een eerlijk proces. In Nederland kennen wij een rechtmatigheidstoets  en is zoiets ondenkbaar.

De nieuwe verdragen lijken de rechten van Europese – en dus Nederlandse - burgers nog verder te ondermijnen. Waar ons bilaterale verdrag een aantal keiharde bepalingen bevat – er wordt bijvoorbeeld niet uitgeleverd als er een kans bestaat op de doodstraf – daar is het nieuwe Europese verdrag veel zachter. Ook is niet duidelijk of uitleveringsverzoeken van het Internationaal Strafhof voorrang krijgen boven die van de VS. Belangrijk nog: bij de herziening van het Europese verdrag zal het Nederlandse Parlement niet meer worden betrokken. Wanneer de VS en de onder zware Amerikaanse druk staande Europese Commissie over vijf jaar nog verder gaande bepalingen willen opnemen in het verdrag, dan kan alleen het Europees Parlement daar nog iets tegen inbrengen. Dit kan om zeer vergaande bepalingen gaan, die bijvoorbeeld onze politieprioriteiten vaststellen. Volgens D66 is dat strijdig met het beginsel van de subsidiariteit. Weinig zaken zijn zo sterk cultureel bepaald als het rechtssysteem. Het is daarom principieel onjuist als Europa beslissingen kan nemen die zo diep ingrijpen in het rechtssysteem van de lidstaten; dat moet aan de landen zelf worden overgelaten.

Volgens minister Donner zal het zo’n vaart allemaal niet lopen. Hij zegt dat de Tweede Kamer ook bij een volgende verdragsherziening zal worden betrokken, al is dat niet direct logisch en staat dat nergens zwart op wit. Ook stelt Donner de Kamer gerust, dan de strengere bepalingen in het bilaterale verdrag boven het Europese Verdrag gaan; de Nederlandse rechtsbescherming kan dus niet onder het huidige niveau zakken. Daarbij is nog wel een kanttekening te maken. Amerika kan op elk ogenblik ons bilaterale verdrag eenzijdig kan opzeggen. Een eenvoudige brief van de Amerikaanse regering is daarvoor voldoende. Daarmee zouden de extra voorwaarden die ons bilaterale verdrag stelt simpelweg komen te vervallen. Wij maken onze rechtsbescherming daarmee afhankelijk van de goodwill van de VS en dat is geen goed idee.

Opnieuw probeert minister Donner de Kamer gerust te stellen: als de VS het bilaterale verdrag opzegt, kan het EU-VS verdrag niet worden gebruikt om alsnog tot uitlevering over te gaan. Die interpretatie van Donner is echter niet als zodanig in het Verdrag terug te vinden en het is nog maar zeer de vraag of de VS en de Europese rechter zijn interpretatie delen. Is dat - zoals ik verwacht - niet het geval, dan zal de Tweede Kamer met het nieuwe uitleveringsverdrag een Paard van Troje binnenhalen. Gelukkig heeft het Parlement ingestemd met een D66-motie, die schriftelijke garanties van Donner eist voordat wij instemmen met het Verdrag. Het is nu zaak dat de Kamer bij het uitblijven van deze garanties wel voet bij stuk houdt. De opstelling van de VVD zal daarbij cruciaal zijn, omdat LPF en CDA zich überhaupt geen zorgen lijken te maken over de aantasting van onze rechtsstaat. Sommigen lijken zich zelfs te verheugen op de harde, repressieve elementen die zo ons rechtssysteem via de achterdeur binnensluipen.

Naast de formele route, is er nog een manier waarop de Amerikanen proberen in ons rechtssysteem te infiltreren. Tegen alle Europese privacywetgeving in, dragen luchtvaartmaatschappijen zoals KLM en Martinair gegevens over hun passagiers over aan de VS. Heeft iemand een helal maaltijd besteld, waar heeft een passagier geboekt, welke creditcard is daarbij gebruikt en wat zijn de gegevens van de thuisblijvers? De Amerikaanse douane speelt deze informatie door aan immigratie-, justitie-, en inlichtingendiensten. Er bestaat geen enkele controle op de juistheid van de gegevens en ook de door Europese wetgeving vereiste garanties dat de gegevens bijvoorbeeld niet voor commerciële doelen worden gebruikt ontbreken. Volgens de Europese privacyrichtlijnen mogen luchtvaartmaatschappijen de gegevens dan ook niet verstrekken. Maar een maatschappij die de gegevens weigert af te staan kan niet alleen enorme boetes tegemoet zien, maar zelfs haar landingsrechten verliezen. Slikken of stikken dus. Verontrustender dan deze uitwisseling van gegevens is de manier waarop de Europese Commissie voor deze Amerikaanse powerplay is gezwicht. Inmiddels ligt er een afspraak tussen de VS en de EU, die deze uitwisseling van gegevens legaliseert. Daarmee zijn de democratisch afgesproken privacyregels van Europa met één pennenstreek van tafel geveegd. Niet omdat daar andere afspraken voor in de plaats zijn gekomen of als uitkomst van een politiek debat, maar vanwege politieke druk van de Amerikanen in Brusselse achterkamers.

De derde ontwikkeling is niet minder verontrustend, zeker in combinatie met de eerste twee genoemde ontwikkelingen. Nederland heeft met de VS afspraken gemaakt over samenwerking tussen de Nederlandse justitie en Amerikaanse opsporingsambtenaren. Deze afspraken voorzien vooral in een behoefte van Amerika om hun war on drugs en hun war on terrorism ook buiten Amerikaans grondgebied voort te zetten. Amerikaanse agenten hebben de bevoegdheid om op Nederlands grondgebied te opereren. Officieel moeten zij zich daarbij aan de Nederlandse wet houden; dat betekent bijvoorbeeld dat criminele infiltratie niet is toegestaan. Nederlandse rechercheurs mogen dat immers ook niet meer sinds de IRT-affaire. De Amerikaanse agenten zijn echter verbonden aan de Amerikaanse ambassade. Achter vage titels als global issues officer gaan agenten schuil die vanwege hun band met de ambassade diplomatieke onschendbaarheid genieten. Mocht een agent er dus toch voor kiezen Amerikaanse methoden te gebruiken die in Nederland niet zijn toegestaan, dan kan hij of zij daar onmogelijk voor ter verantwoording worden geroepen. Er is nauwelijks controle op Amerikaanse opsporingsambtenaren. Sterker nog, tot op heden kan de regering geen cijfers presenteren over het aantal actieve buitenlandse functionarissen dat zich in Nederland bezig houdt met criminaliteitsbestrijding. Minister Donner wekt opnieuw niet de indruk dat dit hem veel kan schelen. In het overleg met de kamer deed hij deze suggestie nog af als ‘jongensboekenverhalen’. Die opmerking lag tegen het verkeerd informeren van de Kamer aan, omdat het hem op dat moment al bekend was dat dit soort infiltratie in Nederland al wel degelijk voorkwam, zij het dat het enige aangetoonde geval een Duitse agent betrof. Het is echter tamelijk naïef te denken dat de Amerikanen in hun oorlog tegen drugs en terrorisme geen gebruik zullen maken van elke formele of informele mogelijkheid die hen wordt geboden. Infiltratie is bijvoorbeeld alleen toegestaan om terrorisme te bestrijden. Maar omdat volgens de Amerikanen veel terrorisme wordt gefinancierd met drugsgeld, vinden zijn dat zij infiltratie ook mogen gebruiken in hun oorlog tegen drugs. Het vervolg op de IRT-affaire lijkt slechts een kwestie van tijd.

Een vierde gevaar manier waarop Amerika in ons rechtssysteem probeert te infiltreren dient zich alweer aan. De Amerikaanse senator Souder bepleit in de VS een economisch boycot van Nederland als wij onze drugswetgeving niet meer op Amerikaanse leest schroeien. Souder stelt, in navolging van veel Amerikanen, dat Nederland het Colombia is van de synthetische drugs. Dat Nederland echt koploper is, daarvoor is nog geen enkel bewijst geleverd. Het is dus onduidelijk in hoeverre aan deze beschuldiging feiten, of politieke motieven ten grondslag liggen. Samenwerking in het internationaal recht gaat uit van de gelijkwaardigheid van de verschillende partners. Het moge duidelijk zijn dat daarvan hier geen sprake is.

Alle afzonderlijke ontwikkelingen zijn op zichzelf een gevaar voor onze rechtstaat. Het feit dat al deze ontwikkelingen op hetzelfde moment plaatsvinden maakt de gevaren exponentieel groter. Zo kunnen de Amerikanen op grond van luchtvaartgegevens een persoon kwalificeren als mogelijke drugsdealer. Uitlokking is in Nederland verboden. Maar als deze persoon door een Amerikaanse agent in Utrecht wordt uitgelokt om XTC aan hem te verkopen dan kan hij daarvoor worden opgepakt en aan de VS worden uitgeleverd. Daar wordt hij of zij onder dreiging van hemeltergend hoge straffen tot bekennen gedwongen.

Geen misverstanden: efficiënte samenwerking op het terrein van grensoverschrijdende criminaliteit is belangrijk. Dat geldt óók voor samenwerking met de Amerikanen om bijvoorbeeld Nederlandse export van synthetische drugs te bestrijden. Maar justititiële samenwerking mag nooit een dictaat van de VS aan Nederland zijn; samenwerking moet controleerbaar zijn en plaats vinden met inachtneming van ónze principes. Dat vereist een veel fermere opstelling van de minister van justitie – en van de Tweede Kamer.

Eerder dan dat ik het de VS verwijt al het mogelijke te doen om op te komen voor haar belangen en haar principes, verwijt ik het de Nederlandse regering dat zij hier niet krachtig stelling tegen inneemt. Als we straks constateren dat onze rechtsstaat zich meer aan meer naar de wensen van de VS heeft gevoegd en wij vragen ons af: waren zij nou zo slim, of wij nou zo dom?, dan ben ik bang dat we dit ten volle met dat laatste zullen moeten beantwoorden.