/

Back to home page

Europe Democracy around the World D66 European Parliament

Preventieve aanval op overbodige Europese wetgeving

   Wed 10/12/2003

Dit artikel van Lousewies van der Laan is in uitgebreider versie eerder verschenen in het boek 'Aanklacht tegen Europa'

Zo veel mogelijk moet op het nationale niveau worden geregeld, slechts dat wat echt noodzakelijk is op het Europese. Hoe helder en eenduidig dat criterium op het eerste gezicht ook lijkt: het subsidiariteitsbeginsel is geen juridisch, maar een politiek begrip.

 

In alle federaal georganiseerde landen vindt een permanent debat plaats over de vraag welke zaken op welk niveau moeten worden geregeld: federaal, nationaal of regionaal. De Europese Unie vormt hierop geen uitzondering. Artikel 5 van het Verdrag van Maastricht bepaalt dat de (toen nog) Europese Gemeenschap alleen tot actie zal overgaan ‘wanneer schaal of effecten van het gevoerde beleid grensoverschrijdend zijn’. Zo veel mogelijk moet op het nationale niveau worden geregeld, slechts dat wat echt noodzakelijk is op het Europese. Hoe helder en eenduidig dat criterium op het eerste gezicht ook lijkt: het subsidiariteitsbeginsel is geen juridisch, maar een politiek begrip.

Een consequente toepassing van het beginsel is essentieel voor de geloofwaardigheid van Europese wetgeving; in de praktijk is het ver te zoeken. In de belevingswereld van veel Europeanen is Brussel een anonieme bureaucratie die zich te pas en te onpas met binnenlandse aangelegenheden bemoeit. Er zijn rapporten over “vrouwen en sport”, regels voor de veiligheid van glazenwassers en voorschriften over kinderen en het gebruik van alcohol. Daar komt het gevoel nog bij, dat gewone Europeanen nauwelijks invloed op die Brusselse besluitvorming kunnen uitoefenen.

Kiezers verwachten dat hun volksvertegenwoordigers hen beschermen tegen overbodige wetten en regels, zeker als die tot een stijging van administratieve en financiële lasten leiden. Maar op het Europese niveau voert een andere dynamiek de boventoon.

Neem bijvoorbeeld het EU-programma voor toerisme, ‘Philoxenia’. De toerisme-lobby gebruikt een land met een grote toeristische sector – in dit geval Griekenland – om een toerismeclausule in het Europese Verdrag te introduceren. Hierna zal de Europese commissie een toerisme Commissaris instellen met zijn eigen toerisme directoraat (en dan liefst een Griek, natuurlijk). Daarbij hoort natuurlijk ook ambtelijk apparaat om die Commissaris te ondersteunen. Eenmaal ingesteld, voelen Commissaris en ambtenaren zich voortdurend verplicht nieuwe wetgeving en regels te introduceren, die aan de nieuw ingestelde commissie Toerisme van het Europees Parlement worden voorgelegd. En dan moet er nog een Raad van Ministers van Toerisme in het leven worden geroepen voor de nodige checks and balances tussen de EU-instellingen en de lidstaten. Op die manier komt een aantal ministers tot de ontdekking dat ze toerisme in hun portefeuille hebben en, wat nog veel aangenamer is, de kans krijgen om naar Brussel af te reizen om daar nieuw beleid te ontwikkelen. Nergens is er een veiligheidsmechanisme ingebouwd waarmee nationale parlementen overbodige en onzinnige Brusselse wet- en regelgeving zoals deze tegen zouden kunnen houden. Nergens is een punt ingebouwd waarop iemand zegt: moet Brussel zich hier überhaupt mee bezighouden?

Eén van de hoofddoelstellingen bij het opstellen van de Europese grondwet was een versterking van de rol van nationale parlementen. Volgens de nu op tafel liggende ontwerp-grondwet zal de Europese Commissie, wanneer in een concreet geval een derde van de nationale parlementen daarom vraagt, verplicht worden de noodzaak van haar voorstellen beter te onderbouwen. Die maatregel gaat echter lang niet ver genoeg.

Ten eerste is hier slechts sprake van een gele kaart: de Parlementen kunnen de Commissie niet dwingen een voorstel in te trekken. Eerder pleitte Europees Commissaris Bolkestein er dan ook voor nationale parlementen de mogelijkheid te bieden een rode kaart te tonen om de regelzucht van de Brusselse bureaucratie te temperen.

Een aardig voorstel, maar toch niet bevredigend omdat het de politiek realiteit van de alle dag miskent. De inhoudelijke argumenten vóór of tegen een bepaald voorstel zullen de discussie snel overheersen. Als het debat eenmaal gaat over de inhoud, wordt het bijna als ongepast ervaren wanneer iemand durft te praten over het niveau waar de maatregelen moeten worden genomen. Politici benaderen voorstellen primair politiek; dat wordt ook van hen verwacht. Formele vragen over de subsidiariteit hebben daarmee nauwelijks invloed. Behalve natuurlijk, wanneer dit om politieke of inhoudelijke redenen goed uitkomt. Subsidiariteit is zo verworden tot een politiek instrument.

Laat ik dat illustreren met een voorbeeld. In 2001 nam de Nederlandse regering een wet aan, die vrijwillige euthanasie onder strikte voorwaarden legaliseerde. De conservatieve Europese Volkspartij (waartoe onder meer het CDA behoort) was er als de kippen bij om deze zaak hoog op de Europese agenda te plaatsen. Het mocht een Nederlandse wet betreffen, maar de morele verontwaardiging in Europa was te groot om dit ongemerkt te laten passeren. De christen-democraten, die het niet eens waren met de inhoud van de Nederlandse euthanasieregeling, vonden een veroordeling van het EP prima binnen het subsidiariteitsbeginsel passen; de liberale fracties die de Nederlandse wet steunden, vonden dat het een Nederlandse aangelegenheid betrof waar het Europees Parlement zich niet mee diende te bemoeien.

Een paar weken later leek het erop, dat het EP een resolutie aan zou nemen die opriep tot het onder specifieke voorwaarden legaliseren van abortus in alle lidstaten. De EVP - niet de grootste voorstanders van een liberale abortusregeling - reageerde als door een adder gebeten. EVP-leider Poettering vond een dergelijke oproep een onaanvaardbare inbreuk op het subsidiariteitsbeginsel. En zelfs als liberale parlementariërs het met dat argument eens waren zou het lastig aan de kiezers uit te leggen zijn dat zij tégen een oproep voor vrouwenrechten zouden stemmen. Je staat immers ergens voor als politicus, of niet. Maar ergens voor staan en er toch tegen stemmen komt de geloofwaardigheid van de politiek niet ten goede.

De Nederlandse euthanasie-wetgeving is specifiek bedoeld voor Nederlandse ingezetenen. Mensen die naar Nederland komen met het doel euthanasie te ondergaan, worden niet geholpen. Anderzijds maken jaarlijks zo’n 6.000 vrouwen gebruik van Europa’s open grenzen om in een andere EU-lidstaat abortus te plegen. Welke van de twee kwesties heeft nu grensoverschrijdende gevolgen? Welke van de twee kwesties gaat Europa niets aan?Wat D66 betreft moeten besluiten op democratische wijze genomen worden, zodat de kiezer kan zien wat er met zijn of haar mandaat gebeurt. Nationale parlementen moeten al aan het begin van het besluitvormingsproces worden betrokken, niet pas bij de behandeling van concrete voorstellen. Dan wordt van politici namelijk verwacht dat zij zich over de inhoud en merites van een voorstel uitspreken en geen technisch debat voeren over het debat zelf. Europa kent geen structurele subsidiariteitstoets: een preventieve aanval op overbodige wetgeving is hard nodig. Daarom stel ik voor de Brusselse beleidsvoornemens jaarlijks te onderwerpen aan een preventieve subsidiariteitstoets

Elk jaar presenteert de Europese Commissie haar Jaarlijkse Werkprogramma - een summiere opsomming van de te verwachten directieven, regels, wetten en aanbevelingen. Deze presentatie biedt een uitgelezen mogelijkheid om het beginsel van subsidiariteit in de praktijk te brengen.

Een Gezamenlijke Vergadering van nationale en Europese parlementariërs zou bij deze gelegenheid bijeen kunnen komen om het werkprogramma te amenderen. Die Gezamenlijke Vergadering zou de Commissie het vuur na aan de schenen moeten leggen over het doel en de toegevoegde waarde van de voorstellen. De meest cruciale taak van de Vergadering zou zijn om voorstellen of reeds bestaande wetgeving te schrappen, wanneer deze een inbreuk vormen op de competenties van de lidstaten.

Deze oplossing biedt tal van voordelen. De legitimiteit van Europese beslissingen zal worden vergroot. Niet langer zullen anonieme Brusselse bureaucraten beslissen waar Europa zich mee bemoeit. Dit wordt een taak van herkenbare nationale en Europese volksvertegenwoordigers. Bovendien zullen nationale politici eindelijk op tijd bij de Europese besluitvorming betrokken zijn. In de huidige structuur van de Europese Unie ligt een belangrijk deel van de democratische controle nog altijd bij de nationale parlementen, een rol die niet altijd even adequaat wordt ingevuld.

En, last but not least, de jaarlijkse bijeenkomst kan uitgroeien tot een publiek evenement van de eerste orde - vergelijkbaar met de Amerikaanse State of the Union - dat in staat zal zijn tot de Europese verbeelding te spreken. Tot nu toe heeft het Europa deerlijk ontbroken aan een dramatisering van de macht. Het belang van dergelijke symboliek wordt in de EU al te vaak onderschat.

De media zullen zeker belangstelling tonen, evenals verschillende Europese pressiegroepen die voor of tegen bepaalde wetgeving zullen strijden. Er zullen lobby’s ontstaan tegen een Europese richtlijn over de watertemperatuur in dierentuinen en actiegroepen voor veiligheidsgordels in bussen. Iedereen kan rechtstreeks in actie komen iets wel of juist niet moet gebeuren. De bijeenkomst zou, met andere woorden, de betrokkenheid bij Europese besluitvorming vergroten en een krachtige stimulans vormen voor het gevoel van Europees burgerschap.

De invoering van zo ’n jaarlijkse preventieve subsidiariteitstoets zou dan ook de insteek van de Nederlandse regering moeten zijn bij de onderhandelingen over de Europese grondwet. Daarnaast moet het Europees Parlement onmiddellijk een Commissie Subsidiariteit instellen, zodat er in de tussentijd alvast een orgaan is dat waakt voor de Europese regelzucht.

De grief dat Brussel zich met te veel zaken bemoeit, is mijns inziens terecht. Dit voorstel komt aan die kritiek tegemoet. Europa staat aan de vooravond van een van de grootste uitdagingen van haar bestaan: de uitbreiding met tien nieuwe lidstaten. In een zo grote Unie zal de afbakening van competenties tussen Brussel en de nationale staten nog nijpender worden. Daarom is fundamentele kritiek op de bedilzucht van de Brusselse bureaucratie, juist nu, te belangrijk om alleen aan eurosceptici over te laten.