/

Back to home page

Europe D66 Economy

Hou software vrij beschikbaar

   Fri 19/09/2003

Dit artikel van Lousewies van der Laan is eerder verschenen in de Volkskrant.

Voor de kenniseconomie is het beter dat het EP volgende week tegen patenten op software stemt, betogen Johanna Boogerd en Lousewies van der Laan.

De Europese patentconventie van 1973 sluit software uit van bescherming. Dat geldt ook voor bijvoorbeeld formules, esthetische creaties en bedrijfsmethoden. Die verschillen dusdanig van 'fysieke' uitvindingen dat patenten niet de gunstige uitwerking hebben als in de traditionele industrie. Traditioneel zijn ideeen en innovaties een onderdeel van het productieproces. Maar omdat software niet fysiek wordt begrensd, is het nauwelijks iets anders dan een enorme verzameling gestapelde innovaties. Of het nu gaat om een tekstverwerker, of het programma dat de magnetron aanstuurt. Software wordt nu beschermd onder het auteursrecht. Terecht, want de software-industrie lijkt meer op het schrijven van een boek dan op het ontwikkelen van een nieuw medicijn. Productiekosten zitten niet in onderzoek, maar in ontwikkeling: het 'schrijven' van de software. Stel dat we litteratoren willen stimuleren nog mooiere verhalen te schrijven. Daartoe kennen we patenten toe aan hun mooiste zinnen. Dat zou een ramp zijn voor elke auteur, omdat die eerst de patentstatus van al zijn paragrafen moet onderzoeken. Stel dat een groot bedrijf de zinsconstructie 'Ik hou van jou' gepatenteerd heeft. Gebruikt een schrijver die zin toch, dan kan hij worden veroordeeld tot betaling van bijvoorbeeld 3 procent van de boekopbrengt. Het schrijven van boeken is niet langer een vrij en creatief proces, maar een proces dat wordt begrensd door de marges die patent-advocaten aangeven. Het hele karakter van de literatuur zou veranderen, en niet bepaald ten goede. Dat is wat nu met de ontwikkeling van software dreigt te gebeuren. Concurrentie in softwareland gaat niet om grote, nieuwe uitvindingen. Het gaat erom de ontelbare innovaties die er zijn zo toe te passen dat de consument er eenvoudig gebruik van kan maken. De vondst van een mooie zinsconstructie als 'ik hou van jou' is aardig, maar pas in de context van een verhaal krijgt het een functie. Het eerste boek dat 'ik hou van jou' bevat is niet noodzakelijk het beste. Net zoals de literatuur voortbouwt op wat eerder is geschreven en bedacht, doet software dat ook. Daaruit is de zeer snelle ontwikkeling van software in de afgelopen vijftien jaar te verklaren. Het zou jammer zijn als daar een eind aan zou komen. Zeker nu Europa zichzelf tot doel heeft gesteld in 2010 de meest concurrerende kenniseconomie ter wereld te worden. In de VS bestaan al software patenten en daar blijken zij niets bij te dragen aan innovatie. De reden dat bedrijven patenten vastleggen is preventief: als zij het niet doen, kan de concurrent hen straks beletten hun eigen software te gebruiken of te verkopen. Bovendien kunnen de vastgelegde patenten worden uitgeruild met die van andere bedrijven. Zo wordt innovatie vervangen door bureaucratie. Voor kleine bedrijven en mensen die werken aan open source software, zoals de gratis Windows-concurrent Linux, zijn patenten nog rampzaliger. Wie zelf niet over een kostbaar patentportfolio beschikt, is overgeleverd aan de patentbezitters. Wordt een klein bedrijf te concurrerend, dan kunnen softwarepatenten worden ingezet om dat bedrijf kapot te maken of op te slokken. Wereldwijd zijn er zo'n 35 miljoen internetservers, waarvan zo'n 25 miljoen draaien op open source software. Wat zou het betekenen voor internet, wanneer deze allemaal moeten worden vervangen door dure servers van Microsoft omdat de gratis programma's illegaal zijn geworden? Het Europees Parlement denkt dit probleem te omzeilen, door geld vrij te maken om kleine en middelgrote bedrijven deskundig bij te staan. Dat lijkt sympathiek. De Amerikaanse onderzoekers Bessen & Hunt hebben dit jaar een empirische studie verricht naar de macro-economische effecten van softwarepatenten. Zij concluderen dat softwarepatenten onderzoek en ontwikkeling niet stimuleren, maar een vervanging daarvan vormen. Laagdrempelige softwarepatenten betekenen minder strakke standaarden, daarmee meer patenten, en daarmee ook meer vervanging van innovatie. Geen industrie in Europa is zo innovatief geweest als de software-industrie; en dat allemaal zonder patentbescherming. De software die de opkomst van internet mogelijk maakte is grotendeels gratis, door vrijwilligers geschreven open source software. Dat softwarepatenten niet nodig zijn is evident. Sommige europarlementariers lijken zich te laten overtuigen door het feit dat de Europese patentwetgeving minder ver gaat dan de Amerikaanse. Daardoor lijkt het een compromis en in Europa zijn we zo geconditioneerd dat het compromis vaak het best haalbare lijkt. Maar slechte wetgeving blijft slechte wetgeving, en ook het huidige voorstel is veel te breed. Bovendien legt Europa zelf gewicht in de schaal als het gaat om dit soort economische kwesties. Er is geen enkele reden om onze patentwetgeving aan die van de Amerikanen aan te passen, hoe graag de VS dat ook willen. Het EP doet er goed aan volgende week tegen de invoering van softwarepatenten te stemmen. Mochten patenten toch zegevieren in het EP, dan ligt hier een schone taak voor onze Nederlandse regering die de kenniseconomie zo hoog in het vaandel draagt. Brinkhorst moet zich dan inspannen om de introductie van softwarepatenten in Europa alsnog tegen te houden. Want concurrentie moet plaatsvinden op basis van innovatie, niet op basis van de vraag wie de meeste patenten bezit of de duurste patentadvocaten kan inhuren. Johanna Boogerd is lid van het Europees Parlement voor D66 en Lousewies van der Laan is lid van de Tweede-Kamer voor D66.

 

.