/

Back to home page

Europe D66 European Parliament

Het Europa van de toekomst is het Europa van de burger

   Sat 04/11/2000

Bijdrage aan boek ter gelegenheid van het jubileum van de Hogeschool Holland in Diemen: Europa kan alleen slagen, als de Europeanen er echt bij betrokken worden. Daarvoor is het allereerst noodzakelijk, dat we met elkaar debatteren over wat nu eigenlijk het einddoel van Europa moet zijn. D66 heeft alvast kleur bekend.

Het is altijd leuk om te dromen over het Europa van de toekomst. Vooral omdat je moet weten waar je naar toe wilt, voordat je van start gaat. Veel politici hebben geen duidelijke Europese toekomstvisie en dat merk je duidelijk aan de kwaliteit van hun beleid. Zo wordt Europa bijna stiekem met kleine stapjes gebouwd, terwijl de meeste mensen het gevoel krijgen geen invloed te hebben op de besluitvorming. Dat onbehagen uit zich in de lage opkomst voor de Europese verkiezingen en de weinige publieke steun die er is voor grote Europese projecten zoals de invoering van de euro en de toetreding van landen uit centraal en oost europa. Dat moet in de toekomst anders. Er moet een echt Europees debat komen waar mensen bij betrokken zijn. Europa moet open en toegangkelijk worden. Elk besluit zal democratisch controleerd moeten zijn en mensen moeten echte invloed op het Europees beleid uit kunnen oefenen.

Het Europa van de toekomst zal bestaan uit een ware Europese Unie, die zich over het hele continent uitstrekt. De kans voor de EU om de huidige kandidaat-lidstaten te laten delen in de stabiliteit en welvaart van de vijftien, is uniek. In de jaren voor de landen uit Midden- en Oost-Europa daadwerkelijk zullen toetreden, zal de politieke discussie vooral gaan over het soort uitbreiding dat we voor ons zien, het tijdspad dat gevolgd zal gaan worden en onder welke voorwaarden de toetreding tot de EU moet gaan plaatsvinden. Het antwoord op dit soort vragen is afhankelijk van de gehanteerde visie op het toekomstige Europese integratieproces. Met andere woorden: Waar je staat in het uitbreidingsdebat wordt bepaalt door waar je naar toe wilt met Europa. De uitbreiding is dus een katalysator om partijen te dwingen kleur te bekennen over de zogenaamde ' finalité politique': het eindstation van het integratieproces. Dat is een uitdaging die niet iedereen aandurft, dus het is mooi dat de Hogeschool Holland dat wel doet.

De noodzaak van debat

De uitbreiding is een zeer complexe opdracht, waar wel degelijk grote risico's aan kleven. Een van de grootste risico's is een verdere verwijding van het gat tussen het ambitieuze politieke project 'Europa', en de Europese burgers. Niet alleen in West-Europa, maar ook in de kandidaat-landen kan de toetreding tot de EU nog slechts rekenen op de steun van een minderheid van de bevolking. Het is dan ook een gevaarlijke illusie te denken dat de Europeanen wijs kan worden gemaakt dat de uitbreiding louter voordelen brengt. De Europese ministers negeren de publieke opinie en laten de uitbreidingstrein op volle snelheid doordenderen. Ondertussen blijven de Europese burgers verbijsterd op het station achter. Diezelfde burgers die straks de rekening krijgen gepresenteerd voor de hereniging van Europa. Decennia lang zullen tientallen miljarden nodig zijn om de Oost-Europese economie en het milieu op het Westerse niveau te krijgen. De ministers, die de voorwaarden van toetreding in besloten bijeenkomsten vaststellen, hebben klaarblijkelijk geen zin om de belastingbetaler te laten meepraten over deze bestedingen.

De regeringsleiders doen alsof het besluit over de uitbreiding een gepasseerd station is. De voorwaarden van de uitbreiding staan inderdaad vast en niemand zal daaraan tornen. Het besluit om de Unie uit te breiden is eigenlijk al in 1993 genomen. Toen hebben de lidstaten op de Europese top in Kopenhagen besloten dat "die Europese landen die dat wensen lid zullen worden van de Europese Unie". In Kopenhagen zijn ook de politieke en economische criteria voor lidmaatschap vastgelegd. De "onderhandelingen" gaan slechts over overgangstermijnen.

Het is dus al 7 jaar duidelijk dat de vraag niet is of nieuwe landen zullen toetreden, maar wanneer dit zal gebeuren. Maar het uiteindelijke besluit kan nog wel degelijk worden tegengehouden. De toetreding van een nieuwe lidstaat behelst namelijk een verdragswijziging die door de parlementen van alle lidstaten geratificeerd moet worden. Dat betekent dat het besluit om nieuwe landen toe te laten ook zonder referendum nog geblokkeerd zou kunnen worden. Deze op het eerste gezicht onrealistische mogelijkheid, is niet ondenkbaar. Indien xenofobische anti-uitbreidingspartijen aan populariteit blijven winnen, kan het zo zijn dat er in één Europese lidstaat geen parlementaire meerderheid voor de uitbreiding zou zijn. Dan zou dat ene land de hele operatie zal kunnen tegenhouden. Juist daarom is het nu belangrijk om die tegenstanders in een open debat met heldere argumenten de wind uit de zeilen te nemen.

De grootste weeffout van het 'oude' Europese eenwordingsproces ligt 'm in de angst van politici voor openheid en publiek debat. Met andere woorden: de Europese bevolking is decennia lang structureel buitengesloten van cruciale beslissingen over het Europa van de toekomst. Wanneer er naast "voorlichting" ook discussie plaats zou vinden, was de toon van het debat logischerwijs al snel minder eenzijdig positief. Zolang er op eerlijke wijze argumenten worden gewisseld, is dat echter helemaal niet erg.

We hebben dit ook gezien in de discussies rond de invoering van de gemeenscahppelijke Europese munt, de Euro. Volgens velen is verdere economische en monetaire integratie niet mogelijk zonder politieke samenwerking in Euroland. De Denen zagen dit in, en straften de arrogantie van de poltiiek af met een krachtig NEJ tegen de Euro. Net als het eerdere Deense NEJ, in 1991 tegen het Verdrag van Maastricht, werden de Europsee politiek er op harde wijze aan herinnert dat de burger zich niet graag buiten spel gezet ziet.

In andere Europese landen, waar evenveel scepsis onder het publiek bestaat, kent men niet de mogelijkheid van een referendum over Europese aangelegenheden. Jammer, vindt D66, want Europa is geen zaak van elites, maar van het volk. En wie de Europeanen de mogelijkheid onthoudt om tégen Europa te stemmen, ontneemt ze ook de kans om vóór de Europese Unie te kiezen.

Openheid

Het Verdrag van Amsterdam spreekt mooie woorden over openheid. Iedere inwoner van de EU heeft het recht op toegang tot documenten van de Europese Unie, staat er, en binnen twee jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag moet dat recht zijn uitgewerkt in een wettelijke regeling die geldt voor alle EU-instellingen. Die deadline, 1 mei 2001, komt nu snel naderbij, en de Europese Commissie heeft zijn voorstellen voor een Europese "Wet Openbaarheid van Bestuur" inmiddels dan ook voorgelegd aan het Parlement en de Raad van Ministers.

D66 stelt zich op het standpunt dat de overheid er is voor haar burgers en niet andersom, en dat er daarom principieel geen enkele rechtvaardiging bestaat om burgers toegang te ontzeggen tot wat voor categorie documenten dan ook. Natuurlijk zijn er documenten waarvoor geldt dat het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen de schade die dat zou kunnen doen, maar dat is een afweging die per geval gemaakt moet worden en waar de rechter uiteindelijk het laatste woord over moet hebben. Deze benadering van "openbaar, tenzij" ligt tevens ten grondslag aan de Nederlandse WOB, en dit moet ook worden opgenomen in de Europese WOB. Het Europa van de toekomst moet zich kunnen spiegelen aan de Scandinavische methode, waarbij van ieder document meteen wanneer het af is of binnenkomt wordt vastgelegd of het geheim moet blijven. Overheden kunnen dan in een openbaar register precies bijhouden welke documenten er bestaan, en welke daarvan openbaar toegankelijk zijn. En burgers kunnen de openbare documenten dan ook onmiddellijk inzien wanneer zij dat willen, en hoeven niet een maand of langer te wachten totdat eindelijk een beslissing is genomen.

Als Europa niet snel toegangkelijker en transparanter wordt zal het publieke vertrouwen niet makkelijk terug te winnen zijn. Het Europa van de toekomst moet echt een open Europa zijn.

Visies op het Europa van de toekomst

In feite bestaan er ruwweg twee visies op het toekomstige integratieproces. Zij die, net als de Britse Tories, slechts een grote Europese vrijhandelszone willen creeren, waarbij handelsgrenzen worden opgeheven maar politieke grenzen tussen soevereine staten zullen blijven bestaan, liggen niet wakker van een snelle uitbreiding zonder hervormingen. Het is geen toeval dat de eurowijfelende Britten en Denen fanatiek voorstander zijn van de uitbreiding. Zo heeft ook Eurocommissaris Bolkestein in zijn vorige functie al eens gesteld dat 'Europa af is'.

Tegenover deze visie staat die van degenen die verdere Europese eenwording en verdieping centraal stellen. Besluitvorming tussen de vijftien lidstaten in het huidige Europa is moeizaam. Een Europa van vijfentwintig kan in de huidige structuren, bedacht voor een Euopra van zes lidstaten, niet functioneren. De aandacht moet gericht worden op interne of 'institutionele' hervorming van de EU voor de eerste landen klaar zijn voor toetreding.

Ook D66 kiest voor dit 'andere Europa'. Europa mag nooit slechts een marktmiddel zijn, maar zal verder moeten groeien in de richting van een echte politieke waardengemeenschap. Dit betekent een duidelijke keuze voor een bepaalde 'finalité politique': een federaal Europa, waarin er op ieder genomen besluit gedegen democratische controle is. Dit toekomstige Europa is een rechtsstaat waarvan de juridische basis zal worden gevormd door een bindend Handvest voor poltieke en sociale grondrechten, dat alle lidstaten hebben ondertekend. Bovendien bestaan in zo'n politieke gemeenschap duidelijke afspraken hoe om te gaan met toekomstige "Oostenrijkse toestanden", wanneer burgerrechten door een lidstaat met voeten worden getreden. Geen ad hoc sancties meer, maar een helder beleid met als basis 'gelijke monniken, gelijke kappen'.

Een democratische waardengemeenschap

Het belangrijkste argument voor een federaal Europa ligt in de overtuiging dat het vestigen van een democratische waardengemeenschap in Europa het beste is dat je kunt doen voor het vertrouwen van Europeanen in elkaar en in de toekomst. Tegelijk moeten we echter constateren dat die federale en democratische waardengemeenschap nog erg ver weg is, en dat duidelijke stappen in die richting maar nauwelijks gezet worden.

De steun van de burger voor het toekomstige Europa zal groeien als er serieus hervormd wordt in tijd voor de daadwerkelijke uitbreiding van de Unie. De politiek heeft begin jaren negentig het daadkrachtige en unanieme besluit genomen om de huidige Europese Unie uit te breiden. Daaruit volgt de verplichting om de EU zo te hervormen dat zij deze verandering aan kan zonder aan kracht en waarde in te boeten en zonder er verder op achteruit te gaan in termen van democratie en ondoorgrondelijkheid. Ook, misschien juist, wanneer dit betekent dat de achterkamers van de ministers, waar het zo goed beslissingen nemen is, aan relevantie inboeten. Dat is nu een imperatief als we de uitbreiding echt succesvol willen laten zijn. Het is ook de enige manier om het weinige publieke vertrouwen wat Europa nog rest, terug te winnen.

Als wij willen dat Europa een waardengemeenschap is moet dat ook betekenen dat over een zaak niet te onderhandelen valt: mensenrechten. Europa is niet een succes geworden omdat we lid zijn van dezelfde club. Het is een succes omdat wij ons houden aan bepaalde regels. Het Europa van de dertig moet kortom een democratische rechtsstaat zijn.

Versterkte samenwerking

Belangrijk in het debat over de vormgeving van het Europa van de toekomst, is dat we af moeten van het idee van 'one-Europe-fits-all'. Gaandeweg wint in Europa het idee terrein, dat de toekomst van Europa ligt in samenwerking op verschillende terreinen tussen verschillende groepen landen. Versterkte samenwerking is een model dat momenteel onder de politici veel steun krijgt. De oorspronkelijke zes lidstaten, de Benelux, Duitsland, Frankrijk en Italie zullen in de voorhoede lopen. Spanje, Denemarken en Groot-Brittannie trappen regelmatig op de rem. Wanneer deze landen niet verder willen samenwerken op een bepaald beleidsterrein, bjivoorbeeld buitenlandse politiek of defensie, moet hun die keuze worden gelaten, wanneer zij ook de andere de keuze laten, hierin wel verder te integreren. Schengen en Euroland zijn voorbeelden van integratie tussen een kleinere groep landen. Deze visie op Eruopa wint aan belang nu de datum van de eerste uitbreiding van de EU dichterbij komt. Ieder kandidaat-land zal een ruime overgangsperiode nodig hebben om daadwerkelijk aan alle gemeenschappelijke Europese regels te kunnen voldoen. Versterkte samenwerking lijkt dus bijna onontbeerlijk.

De fietstocht naar de toekomst

Ook in het Europa van de versterkte samenwerking is publieke verantwoording en democratische legitimiteit van het grootste belang. De les die we moeten trekken uit de huidige constructie van Europa is dat er een hoge prijs betaald wordt voor het uitsluiten van de burgers. Het Europa van vandaag is er gekomen met kleine stapjes. Bij elke verdragswijziging is er verdere integratie ingesteggelt. Met als gevolg dat de Europeanen het gevoel hebben geen grip meer te hebben op de zaak.

Politici die luisteren naar de zorgen in de samenleving worden weggezet als onruststokers die dit historische project ondermijnen. Maar juist wie uit is op een geslaagde uitbreiding zou het proces kritisch moeten volgen. Wie slechts jubelend de zegeningen van de uitbreiding bezingt houdt niet alleen zichzelf voor de gek, maar speelt bovendien extremisten en xenofoben in de kaart. Het Deense 'Nej' tegen de euro was geen incident bij een nu eenmaal Euroskeptische noorderbuur. Het was een duidelijk waarschuwingsschot dat Europa op deze manier voor de burger niet hoeft.

Menig politicus heeft de Europese integratie al vergeleken met het rijden op een fiets: als je stopt, val je om. Als de ministers wat vaker op de fiets zouden stappen, zouden ze zich misschien realiseren dat het heel makkelijk is om je voeten op de grond te zetten en even rond te kijken. D66 stelt voor dat iedereen in Europa eens de tijd neemt om op zijn kaart te kijken en gezamenlijk af te spreken waar we eigenlijk naar toe willen. Dat maakt de reist een stuk makkelijker, en dan kunnen we ook meer gejuich vanuit het publiek verwachten.