/

Back to home page

Dutch Politics Law and Liberties D66

Inbreng Kamerdebat over initiatiefwetsvoorstel verjaringstermijnen

   Wed 02/02/2005

Mevrouw Van der Laan (D66): Mevrouw de voorzitter. Ik zit nu bijna twee jaar in de Kamer. Nu en dan houden wij ons bezig met zaken die relevant zijn, waaraan mensen concreet iets hebben en die echt aan iets beantwoorden. Dit onderwerp leeft bij mensen. Zij zitten met vragen daarover. Ik ben van mening dat dit een voorbeeld is van een onderwerp dat daadwerkelijk inhoud heeft en ik vind het daarom prettig dat ik hier mag staan. Ik complimenteer de indieners met hun initiatief en ikvoeg daaraan toe dat ikhun voorstel steun. Er worden veel vragen gesteld. Dat toont al aan dat dit onderwerp ongelooflijk ingewikkeld is. Het was voor de indieners al een kwestie van kiezen, maar na vandaag zal duidelijk zijn welke definitieve keuzes worden gemaakt. Ondanks het feit dat wij het voorstel steunen, stel ik een aantal vragen. De reden dat wij dit voorstel steunen, is dat nabestaanden van slachtoffers levenslang hebben. Dat horen wij vaakvan slachtoffers om ons heen. Het is dan natuurlijk vreemd als het slachtoffer altijd wordt geconfronteerd met het verlies van zijn kind of zijn geliefde, wetende dat dit niet geldt voor de dader. De heer Rouvoet noemde naar mijn idee het beeldend voorbeeld van een schrijver. Sommige daders weten maar al te goed dat zij na achttien jaar vrijuit kunnen gaan. Dat is echter onverteerbaar. Het is daarom bijzonder belangrijk dat dit voorstel nu voorligt. Het komt in de praktijk namelijk voor dat daders vrijuit gaan en het is inderdaad juist dat er ongelooflijk veel ontwikkelingen zijn ± ik doel dan vooral op het gebruik van DNA-materiaal ± waardoor een van de hoofdargumenten voor de verjaring in dit soort gevallen niet meer geldt. Het is soms na jaren namelijk nog mogelijk zaken te bewijzen. Dat is dus een heel goede reden om met dit voorstel te komen. Voor de fractie van D66 past dit voorstel ook goed in het streven om slachtoffers en nabestaanden een meer centrale plaats in het strafrecht te geven. Als de moordenaar van je kind of van je partner vrijuit gaat omdat de tijd verstrijkt, is dat namelijk niet te bevatten. Naar mijn idee heeft de Kamer de taak om ervoor te waken dat ons juridisch instrumentarium niet kafkaësk is, waarbij men zich als individu niet thuis voelt. Het is belangrijk mensen ook de ruimte te geven en de rechten van de slachtoffers en de nabestaanden veel meer te waarderen. Dat gaat overigens steeds meer de goede kant op. De rechten van de verdachten zijn al goed geregeld. De fractie van D66 vindt het verder goed om het strafrecht bij de tijd te brengen. Sinds 1881, toen de fundamenten van de huidige regeling werden gelegd, is er namelijk eel veranderd. Dan doel ik niet alleen op de innovaties op het terrein van het bewijsrecht, zoals het DNA-materiaal waarover ik zojuist sprak. Ik heb dan bijvoorbeeld ook de brede media in gedachten, zoals internet. Dergelijke media zijn natuurlijk geschikt om bijvoorbeeld de aandacht op een moord zaak te vestigen, zeker als er nieuwe informatie beschikbaar is. Dan is het namelijk mogelijk het collectieve geheugen op te fissen. De maatschappij vergeet niet zo snel. Ook op die manier kunnen wij ervoor zorgen dat zaken worden opgelost, zodat het voor slachtoffers en voor nabestaanden mogelijk is een hoofdstuk af te sluiten. Onze eerste vraag heeft betrekking op de overgangsregeling. In het voorliggende wetsvoorstel is geen sprake van terugwerkende kracht. Dit betekent dat wij een wet zullen krijgen ± ik verneem brede steun ± die voor de toekomst geldt. Als er nieuwe aanwijzingen zijn in een moordzaak die enkele jaren geleden is verjaard, kan de dader onder de huidige wet toch niet meer worden veroordeeld. Dit kan een ongelooflijk bittere pil zijn voor de nabestaanden. Sterker nog, als je kind wordt vermoord op de dag dat de Eerste Kamer dit wetsvoorstel behandelt, verjaart de moord niet meer. Dat is wel het geval als het de dag ervoor wordt vermoord. Dit is natuurlijk voor de nabestaanden zeer onverteerbaar. Ik vraag daarom aan de minister van Justitie en de indieners waarom zij geen voorstander zijn van het toekennen van terugwerkende kracht aan het wetsvoorstel. Ik vraag de andere fracties te willen meedenken over een andere overgangstermijn, om dit soort onrechtvaardigheid te voorkomen. Ik heb erover nagedacht hoe wij dit kunnen doen op een wijze die niet in strijd is met deze basisbeginselen van onze rechtsstaat, die ook ons zeer dierbaar is. De reden voor deze regel in het strafrecht is dat nieuwe regels niet ongunstiger mogen uitpakken voor de verdachte. Dat zou onrechtvaardig zijn. Men moet uitgaan van een bepaald geldend rechtssysteem. Er kan geen nieuwe wet worden aangenomen waardoor de positie van de verdachte slechter wordt. Dat is in strijd met de rechtszekerheid. Ik kan mij een tussenoplossing voorstellen tussen de overgang vanaf dag één en de terugwerkende kracht, waarbij men beziet of de positie van de verdachte er inderdaad op achteruit gaat. Stel dat nog geen verdachte is genoemd en dat de verdachte dus nog geen positie heeft. In zo’n geval kan het wel werken met terugwerkende kracht, want de verdachte heeft nog geen positie die achteruit kan gaan. Het is iets anders als er al een verdachte genoemd is. Bij alle zaken die nu lopen waarbij een verdachte in beeld is, gaat diens positie er inderdaad op achteruit. Deze moet dus worden uitgesloten van een eventuele aanpassing van de overgangsregeling. Daarmee komen wij tegemoet aan het rechtsbeginsel van de rechtszekerheid, dat er vooral op gericht is de positie van de verdachte niet te verslechteren. De politiek moet de afweging maken over de rechtszekerheid van de verdachte, maar wij moeten niet vergeten dat het hier gaat om een verdachte van een zeer ernstig misdrijf. Dat staat ook precies in het initiatiefwetsvoorstel. Wij kiezen er nu al voor om te zorgen dat ernstige delicten niet meer verjaren en daarmee zenden wij een signaal naar de samenleving, maar eerlijk gezegd geloof ik niet dat een potentiële moordenaar denkt: 'Het verjaart niet meer. Dan zal ik maar eens van mijn moord afzien.' Dat zit niet in de mentaliteit van een moordenaar. Sterker nog, criminaliteitsonderzoek wijst uit dat de meeste criminelen ervan uitgaan dat zij überhaupt nooit worden gepakt. Je kunt niet in het hoofd van een moordenaar treden. De gedachte: 'Ikzorg dat ikachttien jaar onderduiken daarna komt het wel weer goed,' komt niet bij hem op. Daarom vroeg ikmij in eerste instantie af waarom terugwerkende kracht überhaupt nodig zou zijn. Maar juist omdat het een lastige kwestie is, vind ik dat wij moeten zoeken naar een soort tussenoplossing door onderscheid te maken. Aan de ene kant is er de verdachte die weet dat er een onderzoek naar zijn betrokkenheid bij een misdrijf is ingesteld en die dus echt al een bepaalde rechtspositie heeft die concreet zou kunnen verslechteren. En aan de andere kant kun je denken aan degene die nog door niemand verdacht wordt en pas later als verdachte wordt aangemerkt. Het is bijna hardop nadenken; ik voel een onrechtmatigheid en ik probeer een balans te vinden. Mijn opmerking was ook bedoeld als een oproep aan mijn collega's om erover na te denken of wij iets zouden kunnen doen om de regeling toch nog iets rechtvaardiger te maken voor degenen die nu met dit probleem worstelen, want eigenlijk zeggen wij nu dat wij voor hen niets meer kunnen doen en dat de regeling alleen geldt voor de moorden die vanaf de inwerkingtreding gepleegd worden. Ik om vervolgens bij de ingangsdatum.Alles wat nu verjaard is, is verjaard. Het lijkt mij het meest redelijk dat wij vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet achttien jaar terugrekenen. Ik breng de gedachte hier naar voren. Ik dank de collega’s ook van harte voor het meedenken. Misschien kunnen wij naar aanleiding van de reacties van de indieners en de minister van Justitie verder overdenken of wij iets kunnen doen om aan het gevoel van onrecht dat nog leeft, tegemoet te komen. Ik heb nog twee korte vragen voor de indieners. De eerste gaat over misdrijven die de dood tot gevolg hebben. Als een lijk wordt gevonden, is niet altijd direct duidelijk of een moord is gepleegd dan wel sprake is van doodslag of een andere doodsoorzaak. Welke verjaringstermijn zou volgens de indieners in beginsel van toepassing moeten zijn, als sprake is van een lichaam dat door geweld om het leven lijkt te zijn gebracht? De tweede vraag betreft misdrijven waar een straf van meer dan tien jaar op staat. Dat zijn heel ernstige misdrijven. Waarom maken de indieners voor deze misdrijven een andere afweging dan dat waarvoor wij nu gekozen hebben?